‘Zorg dat je lieve mensen om je heen hebt, kies een mooie plek uit voor de overledene, zorg voor mooie bloemen, lekker eten, fijne geuren, noem maar op. Schoonheid biedt troost’

ALLE ANGSTEN OVERWONNEN

Inmiddels vindt Radboud alles aan de dood interessant. Ook de angst voor dode lichamen heeft hij lang geleden overwonnen. ‘De eerste keer dat me werd gevraagd om te helpen iemand in een kist te leggen die ik had gemaakt, herinner ik me nog goed. Eigenlijk heel dom, maar ik had er helemaal niet bij stilgestaan dat ik daar als grafkistenmaker bij zou moeten helpen. Inmiddels heb ik honderden dode mensen in mijn armen gehad.’ 

Is het dan niet zwaar om dag in dag uit met de dood bezig te zijn? ‘In mijn werkplaats wordt af en toe heel hard gehuild door klanten en dat mag. Ik voel hun verdriet en heb soms ook tranen in mijn ogen. Maar als zij weggaan, nemen ze dat verdrietige gevoel weer met zich mee. Misschien denk ik er thuis nog even over na, maar daarna is het echt weg.’ 

En denkt hij weleens na over zijn eigen dood? Hij maakte immers al een grafkist voor zichzelf. ‘Ik ben katholiek opgevoed, maar het geloof is bij mij weggeëbd. Ik ben geen atheïst, maar ga er wel vanuit dat er niks is na de dood. Ik vind het ook niet van belang. Het is fijn om nergens bang voor te zijn. Ik denk ook dat ik daardoor veel bewuster ben gaan leven. Ik leef nu, dus ik moet het nu doen.’ En de kist die Radboud voor zichzelf maakte? ‘Die heb ik verkocht aan iemand anders.’ •

SOCIALE UITVAARTEN

Radboud verzorgt ook sociale uitvaarten, bijvoorbeeld voor mensen met een klein of geen budget, of voor mensen die dak- en thuisloos zijn. Hij kent vooral de wereld van die laatste groep goed: in de jaren negentig was hij een van de pioniers van Stichting de Tussenvoorziening, een Utrechtse instelling voor mensen die dak- en thuisloos zijn. ‘Ik vind het bijna een natuurwet dat we kwetsbare mensen moeten helpen. Dat betekent ook dat zij een mooi en waardig afscheid verdienen. Voor mij gaat het er niet alleen om dat iemand geen eenzame uitvaart hoort te hebben, maar ook dat nabestaanden, hulpverleners en andere dak- en thuislozen de kans moeten krijgen om afscheid te nemen.’ 

Die sociale uitvaarten zien er vaak anders uit dan de gemiddelde uitvaart. Dat komt niet alleen door het beperkte budget, maar ook door de draai die Radboud eraan geeft. Zo is de sfeer meestal een stuk informeler. ‘Vaak vindt de uitvaart plaats in een heel andere setting dan die in het uitvaartcentrum. Dat kan buiten zijn, in een café, in een kapel of in een huiskamer. In ieder geval is het een plek waar mensen zich fijn voelen. Vorige zomer kozen we nog voor een parkje midden in de stad. De kist staat in het midden en alle aanwezigen zitten er in een kring omheen. Er is muziek. Soms is er iemand die iets wil vertellen. Ook loop ik rond om de aanwezigen vragen te stellen. Wie ben je? En wat is je relatie met de overledene? Niemand is verplicht te antwoorden, maar vaak komen dan de meest prachtige verhalen los. Er wordt gehuild én gelachen. Daarna is er wat te eten en te drinken, waarbij we om de kist heen blijven staan. Uiteindelijk gaat iedereen druppelsgewijs weg, tot we met een paar mensen overblijven die de overledene naar de laatste rustplaats brengen. Het wordt nooit een feestje, maar het is wel een prettige receptie. Ik weet bijna zeker dat de meeste mensen met een fijn gevoel naar huis gaan.’

FOTO’S: JOSJE DEEKENS

Kijk op grafkist.nl voor meer informatie over Radboud Spruit en de sociale uitvaart.

foto: JOSJE DEEKENS

DE DOOD IS GEEN FEESTJE

Radboud vraagt of mijn ouders nog leven. Ja. Of ik het ooit met ze over de dood heb gehad? Nee, niet echt. ‘Zelf om tafel zitten met een uitvaartondernemer en betrokken zijn bij de keuzes rondom een uitvaart maak je misschien maar één of twee keer mee in je leven’, zegt hij. ‘Je bent emotioneel aangeslagen. De meeste mensen worden dan conservatiever en maken andere keuzes dan ze normaal zouden doen. Neem iemand die bij leven heeft gezegd dat zijn uitvaart een feestje moet zijn. Maar de nabestaanden zijn verdrietig. Denk je dat zij zin hebben in een feestje?’ Waarschijnlijk niet, zeg ik schoorvoetend. Ik ben namelijk iemand die vindt dat mijn nabestaanden de kroeg in moeten. Toch nog maar eens over nadenken of ik ze daarmee wel wil opzadelen.

Ook over het zelf regelen van je uitvaart heeft Radboud een bescheiden mening. ‘Het is natuurlijk mooi als je zelf je uitvaart wil regelen. Waarschijnlijk doe je dat om je nabestaanden te ontzorgen. Maar voor hen is het juist een belangrijk moment in het rouwproces. Het kan soms zelfs vervelend voor ze zijn als alles van tevoren al is vastgelegd. Zo had mijn tante haar eigen uitvaart tot in detail geregeld. Uiteindelijk heb ik die wel iets aangepast. “Wij zijn er ook nog”, dacht ik toen.’

En dan de kist, waar je tijdens de gemiddelde uitvaart toch dik een uur naar zit te staren. Die mag volgens Radboud best mooi zijn, ook al komt de overledene er vaak pas op het laatste moment in te liggen. ‘Terwijl de wereld om jou heen gewoon doordraait, staat het leven voor jou even stil. Alles wat je dan beleeft, ervaar je veel intenser. Wat iemand tegen je zegt, hoe iemand tegen je doet: het blijft hangen. Mijn ouders zijn allebei lang geleden overleden, maar ik kan me nog veel details herinneren van de week rondom hun sterven. Mijn advies is dan ook: vul die week zo mooi mogelijk in, want het wordt een tijdloze periode die je de rest van je leven niet vergeet. Zorg dat je lieve mensen om je heen hebt, kies een mooie plek uit voor de overledene, zorg voor mooie bloemen, lekker eten, fijne geuren, noem maar op. Schoonheid biedt troost.’

Utrechter Radboud Spruit werd naar eigen zeggen ‘geboren met een angst voor de dood’. Inmiddels is hij al 25 jaar grafkistenmaker en verzorgt hij sociale uitvaarten voor mensen met een kleine beurs. Hoe veranderde zijn angst in een fascinatie voor de dood? • Dieuwke de Boer

‘Ik ben elke dag met de dood bezig, zeven dagen per week’

Helaas kwamen de angstdromen over Radbouds moeder uit: ze werd ziek toen hij een jaar of twaalf was. Ruim tien jaar later, in 1985, overleed ze. ‘We hebben mijn moeder thuis verzorgd tot aan haar dood. Ze zou gecremeerd worden. Ik had haar ooit beloofd haar onder de voeten te kietelen als ze dood was, want ze was bang dat ze anders levend de oven in zou gaan. Dus dat deed ik. Het was de eerste keer dat ik een dode aanraakte. En dat bleek helemaal niet eng. Voor mij was dat een openbaring.’ 

Radbouds familie regelde de uitvaart helemaal zelf. ‘Alles rondom haar sterven was fijn, dus ik heb daar nog steeds goede herinneringen aan’, zegt hij. Behalve aan haar grafkist. ‘Die was nog even eng en lelijk als vroeger.’ Op dat moment ontstond het idee om er ooit eentje voor zichzelf te maken. Pas tien jaar later is Radboud daaraan begonnen. Het doel: een mooie kist, die juist zou aantrekken in plaats van afstoten. Die troost biedt. En waar je iemand zelf in durft te leggen. Inmiddels doet Radboud niets anders dan grafkisten maken. Ook verzorgt hij geregeld uitvaarten. Eigenlijk kun je wel zeggen dat hij alles durft rondom de dood. ‘Ik ben elke dag met de dood bezig, zeven dagen per week. Ik praat met iedereen over de dood en iedereen praat met mij over de dood.’

Hij heeft veel zien veranderen. ‘Hoe we nu met de dood omgaan is compleet anders dan 25 jaar geleden, toen ik begon met het maken van grafkisten. Dat zit ’m vooral in de zorg voor nabestaanden. Vroeger zagen alle uitvaarten er hetzelfde uit: muziek, praatje, muziek, praatje, muziek, praatje. En dat was het. Het meer betrekken van de nabestaanden heeft uitvaarten persoonlijker gemaakt. Foto’s komen voorbij, soms een filmpje. Maar die verandering gaat nu eenmaal niet zo snel. Niet zo gek, want de dood is ook iets heel groots.’

Radboud Spruit werkt vanuit een Utrechts bedrijfsverzamelgebouw. Zodra ik zijn werkplaats binnenstap, komt de geur van hout me tegemoet. De grafkist waar hij tot midden in de nacht aan heeft gewerkt, staat prominent in het midden van de ruimte geduldig te wachten op degene die er heel binnenkort in komt te liggen. Aan een geïmproviseerde tafel, gemaakt van twee standaarden en een houten plank, vraag ik Radboud waar die angst voor de dood vandaan kwam die hij als klein jongetje had. ‘In de Tweede Wereldoorlog was mijn moeder er getuige van dat een vliegtuig neerstortte in de wijk waar zij woonde. Ze hield daar een oorlogstrauma aan over. Later was ze zo anti-oorlog dat ze ons al van jongs af aan liet meekijken met tv-beelden van de Vietnamoorlog, om ons te laten zien hoe erg dat was. Ik vond het verschrikkelijk, die dode lichamen. Ik kon er niet naar kijken.’ Op de lagere school – we hebben het over de jaren zestig – was Radboud misdienaar in de katholieke kerk. In die hoedanigheid stond hij naast heel wat grafkisten. ‘Dat vond ik best spannend, omdat ik die kisten eng en lelijk vond. En ik moest al helemaal niet denken aan wat daarin zou liggen.’ Ook had Radboud al op jonge leeftijd last van angstdromen. ‘Ik was heel bang dat mijn moeder dood zou gaan’, vertelt hij. 

FOTO’S: JOSJE DEEKENS

‘Ik ben elke dag met de dood bezig, zeven dagen per week’

DE DOOD IS GEEN FEESTJE

Radboud vraagt of mijn ouders nog leven. Ja. Of ik het ooit met ze over de dood heb gehad? Nee, niet echt. ‘Zelf om tafel zitten met een uitvaartondernemer en betrokken zijn bij de keuzes rondom een uitvaart maak je misschien maar één of twee keer mee in je leven’, zegt hij. ‘Je bent emotioneel aangeslagen. De meeste mensen worden dan conservatiever en maken andere keuzes dan ze normaal zouden doen. Neem iemand die bij leven heeft gezegd dat zijn uitvaart een feestje moet zijn. Maar de nabestaanden zijn verdrietig. Denk je dat zij zin hebben in een feestje?’ Waarschijnlijk niet, zeg ik schoorvoetend. Ik ben namelijk iemand die vindt dat mijn nabestaanden de kroeg in moeten. Toch nog maar eens over nadenken of ik ze daarmee wel wil opzadelen.

Ook over het zelf regelen van je uitvaart heeft Radboud een bescheiden mening. ‘Het is natuurlijk mooi als je zelf je uitvaart wil regelen. Waarschijnlijk doe je dat om je nabestaanden te ontzorgen. Maar voor hen is het juist een belangrijk moment in het rouwproces. Het kan soms zelfs vervelend voor ze zijn als alles van tevoren al is vastgelegd. Zo had mijn tante haar eigen uitvaart tot in detail geregeld. Uiteindelijk heb ik die wel iets aangepast. “Wij zijn er ook nog”, dacht ik toen.’

En dan de kist, waar je tijdens de gemiddelde uitvaart toch dik een uur naar zit te staren. Die mag volgens Radboud best mooi zijn, ook al komt de overledene er vaak pas op het laatste moment in te liggen. ‘Terwijl de wereld om jou heen gewoon doordraait, staat het leven voor jou even stil. Alles wat je dan beleeft, ervaar je veel intenser. Wat iemand tegen je zegt, hoe iemand tegen je doet: het blijft hangen. Mijn ouders zijn allebei lang geleden overleden, maar ik kan me nog veel details herinneren van de week rondom hun sterven. Mijn advies is dan ook: vul die week zo mooi mogelijk in, want het wordt een tijdloze periode die je de rest van je leven niet vergeet. Zorg dat je lieve mensen om je heen hebt, kies een mooie plek uit voor de overledene, zorg voor mooie bloemen, lekker eten, fijne geuren, noem maar op. Schoonheid biedt troost.’

Radboud Spruit werkt vanuit een Utrechts bedrijfsverzamelgebouw. Zodra ik zijn werkplaats binnenstap, komt de geur van hout me tegemoet. De grafkist waar hij tot midden in de nacht aan heeft gewerkt, staat prominent in het midden van de ruimte geduldig te wachten op degene die er heel binnenkort in komt te liggen. Aan een geïmprovi-seerde tafel, gemaakt van twee standaarden en een houten plank, vraag ik Radboud waar die angst voor de dood vandaan kwam die hij als klein jongetje had. ‘In de Tweede Wereldoorlog was mijn moeder er getuige van dat een vliegtuig neerstortte in de wijk waar zij woonde. Ze hield daar een oorlogstrauma aan over. Later was ze zo anti-oorlog dat ze ons al van jongs af aan liet meekijken met tv-beelden van de Vietnamoorlog, om ons te laten zien hoe erg dat was. Ik vond het verschrikkelijk, die dode lichamen. Ik kon er niet naar kijken.’ Op de lagere school – we hebben het over de jaren zestig – was Radboud misdienaar in de katholieke kerk. In die hoedanigheid stond hij naast heel wat grafkisten. ‘Dat vond ik best spannend, omdat ik die kisten eng en lelijk vond. En ik moest al helemaal niet denken aan wat daarin zou liggen.’ Ook had Radboud al op jonge leeftijd last van angstdromen. ‘Ik was heel bang dat mijn moeder dood zou gaan’, vertelt hij. 

Helaas kwamen de angstdromen over Radbouds moeder uit: ze werd ziek toen hij een jaar of twaalf was. Ruim tien jaar later, in 1985, overleed ze. ‘We hebben mijn moeder thuis verzorgd tot aan haar dood. Ze zou gecremeerd worden. Ik had haar ooit beloofd haar onder de voeten te kietelen als ze dood was, want ze was bang dat ze anders levend de oven in zou gaan. Dus dat deed ik. Het was de eerste keer dat ik een dode aanraakte. En dat bleek helemaal niet eng. Voor mij was dat een openbaring.’ 

Radbouds familie regelde de uitvaart helemaal zelf. ‘Alles rondom haar sterven was fijn, dus ik heb daar nog steeds goede herinneringen aan’, zegt hij. Behalve aan haar grafkist. ‘Die was nog even eng en lelijk als vroeger.’ Op dat moment ontstond het idee om er ooit eentje voor zichzelf te maken. Pas tien jaar later is Radboud daaraan begonnen. Het doel: een mooie kist, die juist zou aantrekken in plaats van afstoten. Die troost biedt. En waar je iemand zelf in durft te leggen. Inmiddels doet Radboud niets anders dan grafkisten maken. Ook verzorgt hij geregeld uitvaarten. Eigenlijk kun je wel zeggen dat hij alles durft rondom de dood. ‘Ik ben elke dag met de dood bezig, zeven dagen per week. Ik praat met iedereen over de dood en iedereen praat met mij over de dood.’

Hij heeft veel zien veranderen. ‘Hoe we nu met de dood omgaan is compleet anders dan 25 jaar geleden, toen ik begon met het maken van grafkisten. Dat zit ’m vooral in de zorg voor nabestaanden. Vroeger zagen alle uitvaarten er hetzelfde uit: muziek, praatje, muziek, praatje, muziek, praatje. En dat was het. Het meer betrekken van de nabestaanden heeft uitvaarten persoonlijker gemaakt. Foto’s komen voorbij, soms een filmpje. Maar die verandering gaat nu eenmaal niet zo snel. Niet zo gek, want de dood is ook iets heel groots.’

SOCIALE UITVAARTEN

Radboud verzorgt ook sociale uitvaarten, bijvoorbeeld voor mensen met een klein of geen budget, of voor mensen die dak- en thuisloos zijn. Hij kent vooral de wereld van die laatste groep goed: in de jaren negentig was hij een van de pioniers van Stichting de Tussenvoorziening, een Utrechtse instelling voor mensen die dak- en thuisloos zijn. ‘Ik vind het bijna een natuurwet dat we kwetsbare mensen moeten helpen. Dat betekent ook dat zij een mooi en waardig afscheid verdienen. Voor mij gaat het er niet alleen om dat iemand geen eenzame uitvaart hoort te hebben, maar ook dat nabestaanden, hulpverleners en andere dak- en thuislozen de kans moeten krijgen om afscheid te nemen.’ 

Die sociale uitvaarten zien er vaak anders uit dan de gemiddelde uitvaart. Dat komt niet alleen door het beperkte budget, maar ook door de draai die Radboud eraan geeft. Zo is de sfeer meestal een stuk informeler. ‘Vaak vindt de uitvaart plaats in een heel andere setting dan die in het uitvaartcentrum. Dat kan buiten zijn, in een café, in een kapel of in een huiskamer. In ieder geval is het een plek waar mensen zich fijn voelen. Vorige zomer kozen we nog voor een parkje midden in de stad. De kist staat in het midden en alle aanwezigen zitten er in een kring omheen. Er is muziek. Soms is er iemand die iets wil vertellen. Ook loop ik rond om de aanwezigen vragen te stellen. Wie ben je? En wat is je relatie met de overledene? Niemand is verplicht te antwoorden, maar vaak komen dan de meest prachtige verhalen los. Er wordt gehuild én gelachen. Daarna is er wat te eten en te drinken, waarbij we om de kist heen blijven staan. Uiteindelijk gaat iedereen druppelsgewijs weg, tot we met een paar mensen overblijven die de overledene naar de laatste rustplaats brengen. Het wordt nooit een feestje, maar het is wel een prettige receptie. Ik weet bijna zeker dat de meeste mensen met een fijn gevoel naar huis gaan.’

ALLE ANGSTEN OVERWONNEN

Inmiddels vindt Radboud alles aan de dood interessant. Ook de angst voor dode lichamen heeft hij lang geleden overwonnen. ‘De eerste keer dat me werd gevraagd om te helpen iemand in een kist te leggen die ik had gemaakt, herinner ik me nog goed. Eigenlijk heel dom, maar ik had er helemaal niet bij stilgestaan dat ik daar als grafkistenmaker bij zou moeten helpen. Inmiddels heb ik honderden dode mensen in mijn armen gehad.’ 

Is het dan niet zwaar om dag in dag uit met de dood bezig te zijn? ‘In mijn werkplaats wordt af en toe heel hard gehuild door klanten en dat mag. Ik voel hun verdriet en heb soms ook tranen in mijn ogen. Maar als zij weggaan, nemen ze dat verdrietige gevoel weer met zich mee. Misschien denk ik er thuis nog even over na, maar daarna is het echt weg.’ 

En denkt hij weleens na over zijn eigen dood? Hij maakte immers al een grafkist voor zichzelf. ‘Ik ben katholiek opgevoed, maar het geloof is bij mij weggeëbd. Ik ben geen atheïst, maar ga er wel vanuit dat er niks is na de dood. Ik vind het ook niet van belang. Het is fijn om nergens bang voor te zijn. Ik denk ook dat ik daardoor veel bewuster ben gaan leven. Ik leef nu, dus ik moet het nu doen.’ En de kist die Radboud voor zichzelf maakte? ‘Die heb ik verkocht aan iemand anders.’ •

Kijk op grafkist.nl voor meer informatie over Radboud Spruit en de sociale uitvaart.

foto: JOSJE DEEKENS

Utrechter Radboud Spruit werd naar eigen zeggen ‘geboren met een angst voor de dood’. Inmiddels is hij al 25 jaar grafkistenmaker en verzorgt hij sociale uitvaarten voor mensen met een kleine beurs. Hoe veranderde zijn angst in een fascinatie voor de dood? • Dieuwke de Boer