JUDITH BOSCH (1944) was zeker twintig jaar lang een grote televisiepersoonlijkheid. Tijdens een studentencabaret ontdekt door Paul van Vliet, startte ze in 1965 als presentator van het tienerprogramma Fanclub, waarop ze uitgroeide tot de ‘koningin van de televisiespelletjes’ bij populaire shows als Tweekamp, Zeskamp en Stedenspel. Vanaf 1985 verkoos Bosch een loopbaan buiten beeld. Dertig jaar lang runde ze een bureau voor presentatie- en mediatraining. Bosch woont samen met haar tweede echtgenoot Wim le Rûtte, samen hebben zij zes kinderen en veertien kleinkinderen. Ze is actief vrijwilliger, onder meer voor de NVVE.
Judith Bosch over keuzes rondom het levenseinde

FOTO: FRANK RUITER
'Het past bij mij om de touwtjes in handen te nemen. Dus toen we onlangs met de kinderen de scenario’s voor onze laatste levensfase bespraken, hebben we bijvoorbeeld benadrukt dat we zo lang mogelijk zelfstandig willen blijven wonen'
Eigen regie voeren, zelfbewuste keuzes maken; Judith Bosch (80) heeft nooit anders gedaan in haar leven en dat houdt ze graag tot het einde zo vol. Maar wel in nauw overleg met haar dierbaren. ‘Alles is bespreekbaar bij ons, óók de dood.’ • Teus Lebbing

OPEN GOOIEN
‘Die openheid is lang niet altijd vanzelfsprekend, merk ik om me heen. Mijn man heeft 25 jaar geleden een hospice helpen oprichten, dat is een mooie, geborgen plek geworden met een fijne sfeer. Mijn zus werkt er nu als vrijwilliger en dat deed ze ook tijdens de laatste jaarwisseling. Wij besloten haar te vergezellen en er het nieuwe jaar in te luiden, dat werd een heel fijne avond. Maar toen we dat later aan een groepje vrienden vertelden, begrepen ze het niet. “Hoe kun je dáár nou een feestje vieren, is dat niet akelig?”, vroegen ze. We vertelden toen ook dat we met onze kinderen hebben gesproken over onze levenseindewensen. Daarop reageerden ze ook een beetje beduusd, zo van: “Dat hoeft toch alleen je arts te weten?”. Maar zo zijn wij, we gooien de boel graag open. Daar komen mooie gesprekken uit. En als je er zelf niet zwaar over doet, dan is het ook niet zwaar.’
‘Morgen praten we onze huisarts bij over onze wilsverklaring. Mijn idee over euthanasie heeft zich door de jaren heen ontwikkeld. Zo was dementie voor mij altijd een duidelijke grens. Zodra ik niet meer helder kan praten en schrijven, wil ik niet meer leven, heb ik altijd gedacht. Die grens is nu wat verschoven door de ervaringen met geliefde mensen dichtbij. Zij hebben me laten zien dat die fase niet alleen maar kommer en kwel hoeft te betekenen, maar ook waardevol kan zijn, mits je goede verzorging hebt. Zo kan het dus ook, ben ik me gaan realiseren. Al weet je natuurlijk nooit zeker hoe het loopt, ook niet hoe je zelf zult reageren als de dood daadwerkelijk dichtbij komt. Maar het helpt me om erover na te denken, dingen te regelen die ik regelen kan en erover te praten met Wim, de kinderen en de huisarts. Dat proces geeft me sowieso al rust.’ •
IN EIGEN HAND
‘Wat dat betreft is mijn grootvader Bert van Holk een groot voorbeeld. Hij was predikant en hoogleraar godsdienst en ethiek, en in de jaren vijftig en zestig bekend door zijn televisieprogramma Gesprek achter de schrijftafel bij de VPRO, de omroep die hij mede heeft opgericht. In 1982 overleed hij op 88-jarige leeftijd tijdens een middagdutje op de divan in zijn studeerkamer. Toen had het er alle schijn van dat het door hartfalen kwam, maar later zijn we steeds meer gaan vermoeden dat hij zijn sterven in eigen hand heeft genomen. Zo is hij de weken voor zijn overlijden bij al zijn familieleden op bezoek geweest, als een soort afscheidstournee. Ook aan mij bracht hij een bezoek, we hadden een prachtig gesprek waar ik nog altijd dankbaar voor ben. Ik vind het zo passend voor mijn grootvader als hij zijn dood zorgvuldig zou hebben voorbereid en daar niemand mee heeft willen belasten. Meermaals sprak hij zich in het openbaar uit voor een zelfgekozen einde, terwijl dat halverwege de vorige eeuw heel gewaagd was, zeker voor een predikant. Ook had hij een grote angst voor geestelijke achteruitgang. Dat had hij bij vrienden zien gebeuren en wilde hij zichzelf hoe dan ook besparen.’
‘Heel anders ging het bij mijn moeder, die in 2010 overleed. Door een hersenbloeding was ze eenzijdig verlamd geraakt. Ze kon niet meer voor zichzelf zorgen en had niemand in de buurt om naar haar om te kijken. Haar zes kinderen woonden bijna allemaal in het westen, dus we besloten haar naar ons toe te halen, in een verpleeghuis dichtbij. Elke dag kwam er een van ons bij haar langs. Ze was somber, had spijt van keuzes in haar leven, dat vond ik moeilijk om te zien. Toch heeft die fase ons ook iets dichter bij elkaar gebracht. Communicatie is mijn vak, dus ik ben haar vragen blijven stellen. Die wimpelde ze aanvankelijk af, maar zij begon zich beetje bij beetje te openen. Daardoor ging ik haar levensloop beter begrijpen, dat hielp ons allebei. Toch besefte ik: zo’n laatste levensfase wil ik niet. Ik geloof dat ik meteen na haar overlijden lid ben geworden van de NVVE.’
‘Eigen regie is erg belangrijk voor mij, bij dood én leven. Zo heb ik in de jaren tachtig bewust de keuze gemaakt om mijn televisieloopbaan achter de schermen voort te zetten en een mediatrainingsbureau op te richten. Het past bij mij om de touwtjes in handen te nemen. Dus toen we onlangs met de kinderen de scenario’s voor onze laatste levensfase bespraken, hebben we bijvoorbeeld benadrukt dat we zo lang mogelijk zelfstandig willen blijven wonen. En dat we zelf willen beslissen wanneer een van ons niet langer voor de ander kan zorgen. Geregeld hoor ik namelijk dat kinderen dat aan hun ouders opdringen. Ik snap dat dat vaak voortkomt uit beschermingsdrang, maar wij willen die keuze graag zelf maken. De kinderen kennen ons en begrijpen dat. Samen hebben we besproken hoe we dat dan zouden kunnen vormgeven, hoe de kinderen ons daarin kunnen ondersteunen. Dat was echt heel fijn en ik heb er alle vertrouwen in dat we er met elkaar uitkomen. We zijn een hechte familie, alles is bespreekbaar.’
'Onlangs hadden mijn man Wim en ik een uitgebreid gesprek met zijn oudste zoon en mijn oudste dochter. We hebben hun gevraagd onze wettelijke vertegenwoordigers te worden als wij zelf geen besluiten meer kunnen nemen. Op hun beurt wilden de kinderen weten: hoe gaan we het aanpakken als jullie behoeftig worden? Wat zijn jullie wensen? Directe aanleiding was Wims ernstige darmaandoening vorig jaar, op een haar na was hij dood. Wonderwel heeft hij kunnen herstellen en hij is er nu goed aan toe, maar het heeft ons wel op scherp gezet. Allemaal beseften we: het is hoog tijd voor beslissingen. Mijn man en ik zijn nu 24 jaar bij elkaar, allebei zijn we eerder getrouwd geweest. Het was een cadeau dat we elkaar tegenkwamen, Wim was toen zeventig, ik zestig. We realiseerden ons dat we nog ongeveer twintig jaar samen zouden kunnen hebben, die kans hebben we met beide handen aangegrepen. En waarom ook niet? We waren allebei kerngezond, zijn ondernemend en hadden zin in het leven. En nog steeds; we tennissen, doen allerlei vrijwilligerswerk en zijn graag druk in de weer met onze kinderen, kleinkinderen en families.’
‘Maar vorig jaar werden we dus opgeschrikt door acute gezondheidsproblemen van Wim. Het leek erop dat hij een zware operatie zou moeten ondergaan. De arts vroeg: “wilt u zo nodig gereanimeerd worden?”. “Ja natuurlijk”, reageerde Wim, “ik vind het leven veel te leuk!”. Ik stond erbij en realiseerde me dat ik zelf iets heel anders geantwoord zou hebben, namelijk: laat mij dan maar gaan. Ik wil niet eindigen als een kasplantje. Al eerder wist ik dat, maar we hadden er nooit specifiek over gesproken. Toen Wim door de maanden heen gelukkig weer beter werd, konden we het er goed over hebben. Hij begreep me en zei: “Jij zit anders in elkaar”. Het verschil is dat ik denk: genoeg kan ook genoeg zijn. Ik ben tachtig en heb zo’n fantastisch leven gehad, hoe veel méér wil ik nog vragen? Als het mijn tijd is, dan is het mijn tijd. Ik wil in goede kwaliteit afscheid nemen.’

JUDITH BOSCH (1944) was zeker twintig jaar lang een grote televisie-persoonlijkheid. Tijdens een studentencabaret ontdekt door Paul van Vliet, startte ze in 1965 als presentator van het tienerprogramma Fanclub, waarop ze uitgroeide tot de ‘koningin van de televisiespelletjes’ bij populaire shows als Tweekamp, Zeskamp en Stedenspel. Vanaf 1985 verkoos Bosch een loopbaan buiten beeld. Dertig jaar lang runde ze een bureau voor presentatie- en mediatraining. Bosch woont samen met haar tweede echtgenoot Wim le Rûtte, samen hebben zij zes kinderen en veertien kleinkinderen. Ze is actief vrijwilliger, onder meer voor de NVVE.
Eigen regie voeren, zelfbewuste keuzes maken; Judith Bosch (80) heeft nooit anders gedaan in haar leven en dat houdt ze graag tot het einde zo vol. Maar wel in nauw overleg met haar dierbaren. ‘Alles is bespreekbaar bij ons, óók de dood.’ • Teus Lebbing
Judith Bosch over keuzes rondom het levenseinde

FOTO: FRANK RUITER
2007 - 2017 : 20.000
2019 : 6835
2020 : 4613
2021 : 3326
2022 : 4110 2023 : 4844
(bronnen: NVVE en NPf)
AANTAL AANGEVRAAGDE
NIET-REANIMERENPENNINGEN
'Onlangs hadden mijn man Wim en ik een uitgebreid gesprek met zijn oudste zoon en mijn oudste dochter. We hebben hun gevraagd onze wettelijke vertegenwoordigers te worden als wij zelf geen besluiten meer kunnen nemen. Op hun beurt wilden de kinderen weten: hoe gaan we het aanpakken als jullie behoeftig worden? Wat zijn jullie wensen? Directe aanleiding was Wims ernstige darmaandoening vorig jaar, op een haar na was hij dood. Wonderwel heeft hij kunnen herstellen en hij is er nu goed aan toe, maar het heeft ons wel op scherp gezet. Allemaal beseften we: het is hoog tijd voor beslissingen. Mijn man en ik zijn nu 24 jaar bij elkaar, allebei zijn we eerder getrouwd geweest. Het was een cadeau dat we elkaar tegenkwamen, Wim was toen zeventig, ik zestig. We realiseerden ons dat we nog ongeveer twintig jaar samen zouden kunnen hebben, die kans hebben we met beide handen aangegrepen. En waarom ook niet? We waren allebei kerngezond, zijn ondernemend en hadden zin in het leven. En nog steeds; we tennissen, doen allerlei vrijwilligerswerk en zijn graag druk in de weer met onze kinderen, kleinkinderen en families.’
‘Maar vorig jaar werden we dus opgeschrikt door acute gezondheids-problemen van Wim. Het leek erop dat hij een zware operatie zou moeten ondergaan. De arts vroeg: “wilt u zo nodig gereanimeerd worden?”. “Ja natuurlijk”, reageerde Wim, “ik vind het leven veel te leuk!”. Ik stond erbij en realiseerde me dat ik zelf iets heel anders geantwoord zou hebben, namelijk: laat mij dan maar gaan. Ik wil niet eindigen als een kasplantje. Al eerder wist ik dat, maar we hadden er nooit specifiek over gesproken. Toen Wim door de maanden heen gelukkig weer beter werd, konden we het er goed over hebben. Hij begreep me en zei: “Jij zit anders in elkaar”. Het verschil is dat ik denk: genoeg kan ook genoeg zijn. Ik ben tachtig en heb zo’n fantastisch leven gehad, hoe veel méér wil ik nog vragen? Als het mijn tijd is, dan is het mijn tijd. Ik wil in goede kwaliteit afscheid nemen.’
IN EIGEN HAND
‘Wat dat betreft is mijn grootvader Bert van Holk een groot voorbeeld. Hij was predikant en hoogleraar godsdienst en ethiek, en in de jaren vijftig en zestig bekend door zijn televisieprogramma Gesprek achter de schrijftafel bij de VPRO, de omroep die hij mede heeft opgericht. In 1982 overleed hij op 88-jarige leeftijd tijdens een middagdutje op de divan in zijn studeerkamer. Toen had het er alle schijn van dat het door hartfalen kwam, maar later zijn we steeds meer gaan vermoeden dat hij zijn sterven in eigen hand heeft genomen. Zo is hij de weken voor zijn overlijden bij al zijn familieleden op bezoek geweest, als een soort afscheidstournee. Ook aan mij bracht hij een bezoek, we hadden een prachtig gesprek waar ik nog altijd dankbaar voor ben. Ik vind het zo passend voor mijn grootvader als hij zijn dood zorgvuldig zou hebben voorbereid en daar niemand mee heeft willen belasten. Meermaals sprak hij zich in het openbaar uit voor een zelfgekozen einde, terwijl dat halverwege de vorige eeuw heel gewaagd was, zeker voor een predikant. Ook had hij een grote angst voor geestelijke achteruitgang. Dat had hij bij vrienden zien gebeuren en wilde hij zichzelf hoe dan ook besparen.’
‘Heel anders ging het bij mijn moeder, die in 2010 overleed. Door een hersenbloeding was ze eenzijdig verlamd geraakt. Ze kon niet meer voor zichzelf zorgen en had niemand in de buurt om naar haar om te kijken. Haar zes kinderen woonden bijna allemaal in het westen, dus we besloten haar naar ons toe te halen, in een verpleeghuis dichtbij. Elke dag kwam er een van ons bij haar langs. Ze was somber, had spijt van keuzes in haar leven, dat vond ik moeilijk om te zien. Toch heeft die fase ons ook iets dichter bij elkaar gebracht. Communicatie is mijn vak, dus ik ben haar vragen blijven stellen. Die wimpelde ze aanvankelijk af, maar zij begon zich beetje bij beetje te openen. Daardoor ging ik haar levensloop beter begrijpen, dat hielp ons allebei. Toch besefte ik: zo’n laatste levensfase wil ik niet. Ik geloof dat ik meteen na haar overlijden lid ben geworden van de NVVE.’
‘Eigen regie is erg belangrijk voor mij, bij dood én leven. Zo heb ik in de jaren tachtig bewust de keuze gemaakt om mijn televisieloopbaan achter de schermen voort te zetten en een mediatrainingsbureau op te richten. Het past bij mij om de touwtjes in handen te nemen. Dus toen we onlangs met de kinderen de scenario’s voor onze laatste levensfase bespraken, hebben we bijvoorbeeld benadrukt dat we zo lang mogelijk zelfstandig willen blijven wonen. En dat we zelf willen beslissen wanneer een van ons niet langer voor de ander kan zorgen. Geregeld hoor ik namelijk dat kinderen dat aan hun ouders opdringen. Ik snap dat dat vaak voortkomt uit beschermingsdrang, maar wij willen die keuze graag zelf maken. De kinderen kennen ons en begrijpen dat. Samen hebben we besproken hoe we dat dan zouden kunnen vormgeven, hoe de kinderen ons daarin kunnen ondersteunen. Dat was echt heel fijn en ik heb er alle vertrouwen in dat we er met elkaar uitkomen. We zijn een hechte familie, alles is bespreekbaar.’
OPENGOOIEN
‘Die openheid is lang niet altijd vanzelfsprekend, merk ik om me heen. Mijn man heeft 25 jaar geleden een hospice helpen oprichten, dat is een mooie, geborgen plek geworden met een fijne sfeer. Mijn zus werkt er nu als vrijwilliger en dat deed ze ook tijdens de laatste jaarwisseling. Wij besloten haar te vergezellen en er het nieuwe jaar in te luiden, dat werd een heel fijne avond. Maar toen we dat later aan een groepje vrienden vertelden, begrepen ze het niet. “Hoe kun je dáár nou een feestje vieren, is dat niet akelig?”, vroegen ze. We vertelden toen ook dat we met onze kinderen hebben gesproken over onze levenseindewensen. Daarop reageerden ze ook een beetje beduusd, zo van: “Dat hoeft toch alleen je arts te weten?”. Maar zo zijn wij, we gooien de boel graag open. Daar komen mooie gesprekken uit. En als je er zelf niet zwaar over doet, dan is het ook niet zwaar.’
‘Morgen praten we onze huisarts bij over onze wilsverklaring. Mijn idee over euthanasie heeft zich door de jaren heen ontwikkeld. Zo was dementie voor mij altijd een duidelijke grens. Zodra ik niet meer helder kan praten en schrijven, wil ik niet meer leven, heb ik altijd gedacht. Die grens is nu wat verschoven door de ervaringen met geliefde mensen dichtbij. Zij hebben me laten zien dat die fase niet alleen maar kommer en kwel hoeft te betekenen, maar ook waardevol kan zijn, mits je goede verzorging hebt. Zo kan het dus ook, ben ik me gaan realiseren. Al weet je natuurlijk nooit zeker hoe het loopt, ook niet hoe je zelf zult reageren als de dood daadwerkelijk dichtbij komt. Maar het helpt me om erover na te denken, dingen te regelen die ik regelen kan en erover te praten met Wim, de kinderen en de huisarts. Dat proces geeft me sowieso al rust.’ •