Fransien van ter Beek bestuurder NVVE
Hoe komt het eigenlijk dat Nederland misschien wel de meest liberale euthanasiewetgeving ter wereld heeft? Dat is een vraag die ik nogal eens krijg van buitenlandse gasten. Het is een intrigerende vraag, die er ook voor zorgt dat we meteen weer even met beide beentjes op de grond staan. Want ja, de NVVE streeft naar meer keuzevrijheid van sterven, maar tegelijkertijd is het goed onze zegeningen niet uit het oog te verliezen.
De Amerikaanse hoogleraar moderne geschiedenis James Kennedy, verbonden aan de Universiteit Utrecht, schreef hier een mooi boek over: Een weloverwogen dood. Dat werd gepubliceerd in 2002, het jaar waarin de euthanasiewet van kracht werd. Het waren de ‘paarse’ jaren, waarin geen christelijke partijen in het kabinet zaten – destijds uniek. Dit speelde zeker een belangrijke rol. Maar er was meer. Over euthanasie werd in Nederland grofweg al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gediscussieerd, aangejaagd door een aantal spraakmakende rechtszaken. Die waren te danken aan dappere artsen, te beginnen met huisarts Truus Postma. Zij gaf haar terminaal zieke moeder op haar nadrukkelijke verzoek in 1971 een dodelijke injectie. Postma kreeg hiervoor in 1973 een voorwaardelijke celstraf van een week.
De rechter formuleerde in het arrest expliciete voorwaarden waaronder euthanasie mogelijk is: een ongeneeslijke ziekte, ondraaglijk lijden, een herhaald verzoek van een patiënt en de uitvoering door een arts. De euthanasiewet stond hiermee in de grondverf.
Kennedy analyseert dat de unieke Nederlandse euthanasiewet toe te schrijven is aan een combinatie van factoren. Sommige ontwikkelingen die een rol speelden, deden zich niet alleen in Nederland voor. Denk hierbij aan het geleidelijk verdwijnen van het taboe op de dood, de toenemende mondigheid van de burger, het groeiende belang dat werd toegekend aan autonomie en zelfbeschikking en aanzwellende kritiek op technocratische geneeskunde (de dokter weet wat goed voor u is).
Nee, twee typisch Nederlandse verklaringen zorgden volgens Kennedy voor het beslissende zetje. In de eerste plaats is dat onze cultuur van bespreekbaarheid. Wij Nederlanders staan internationaal bekend om onze openheid en directheid (om het predicaat ‘bot’ te vermijden). Waar in veel buitenlanden omzichtig om het onderwerp euthanasie heen werd (en nog steeds wordt) gedraaid, bespraken wij het onderwerp in alle openheid. Deze ‘bespreekbaarheidsideologie’ zorgde ervoor dat er uiteindelijk consensus bereikt kon worden onder welke voorwaarden euthanasie verleend mag worden.
De tweede voor ons land kenmerkende verklaring is ons poldermodel, oftewel consensuscultuur. Kennedy schetst het Nederlandse mechanisme waarin deelnemers aan het maatschappelijke debat bereid zijn via - soms eindeloos - overleg en sluiten van compromissen tot beleid te komen. Waar euthanasie in andere landen een explosief issue was, is dat in Nederland nooit zo geweest. Nederlandse bestuurders, politici en deskundigen praatten net zolang door tot vrijwel iedereen zich kon vinden in formalisering van wat allang praktijk was.
Het is de vraag of dat ook nu nog zou lukken, maar dat is weer een ander onderwerp. •
Hoe komt het eigenlijk dat Nederland misschien wel de meest liberale euthanasiewetgeving ter wereld heeft? Dat is een vraag die ik nogal eens krijg van buitenlandse gasten. Het is een intrigerende vraag, die er ook voor zorgt dat we meteen weer even met beide beentjes op de grond staan. Want ja, de NVVE streeft naar meer keuzevrijheid van sterven, maar tegelijkertijd is het goed onze zegeningen niet uit het oog te verliezen.
De Amerikaanse hoogleraar moderne geschiedenis James Kennedy, verbonden aan de Universiteit Utrecht, schreef hier een mooi boek over: Een weloverwogen dood. Dat werd gepubliceerd in 2002, het jaar waarin de euthanasiewet van kracht werd. Het waren de ‘paarse’ jaren, waarin geen christelijke partijen in het kabinet zaten – destijds uniek. Dit speelde zeker een belangrijke rol. Maar er was meer. Over euthanasie werd in Nederland grofweg al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gediscussieerd, aangejaagd door een aantal spraakmakende rechtszaken. Die waren te danken aan dappere artsen, te beginnen met huisarts Truus Postma. Zij gaf haar terminaal zieke moeder op haar nadrukkelijke verzoek in 1971 een dodelijke injectie. Postma kreeg hiervoor in 1973 een voorwaardelijke celstraf van een week.
De rechter formuleerde in het arrest expliciete voorwaarden waaronder euthanasie mogelijk is: een ongeneeslijke ziekte, ondraaglijk lijden, een herhaald verzoek van een patiënt en de uitvoering door een arts. De euthanasiewet stond hiermee in de grondverf.
Kennedy analyseert dat de unieke Nederlandse euthanasiewet toe te schrijven is aan een combinatie van factoren. Sommige ontwikkelingen die een rol speelden, deden zich niet alleen in Nederland voor. Denk hierbij aan het geleidelijk verdwijnen van het taboe op de dood, de toenemende mondigheid van de burger, het groeiende belang dat werd toegekend aan autonomie en zelfbeschikking en aanzwellende kritiek op technocratische geneeskunde (de dokter weet wat goed voor u is).
Nee, twee typisch Nederlandse verklaringen zorgden volgens Kennedy voor het beslissende zetje. In de eerste plaats is dat onze cultuur van bespreekbaarheid. Wij Nederlanders staan internationaal bekend om onze openheid en directheid (om het predicaat ‘bot’ te vermijden). Waar in veel buitenlanden omzichtig om het onderwerp euthanasie heen werd (en nog steeds wordt) gedraaid, bespraken wij het onderwerp in alle openheid. Deze ‘bespreekbaarheidsideologie’ zorgde ervoor dat er uiteindelijk consensus bereikt kon worden onder welke voorwaarden euthanasie verleend mag worden.
De tweede voor ons land kenmerkende verklaring is ons poldermodel, oftewel consensuscultuur. Kennedy schetst het Nederlandse mechanisme waarin deelnemers aan het maatschappelijke debat bereid zijn via - soms eindeloos - overleg en sluiten van compromissen tot beleid te komen. Waar euthanasie in andere landen een explosief issue was, is dat in Nederland nooit zo geweest. Nederlandse bestuurders, politici en deskundigen praatten net zolang door tot vrijwel iedereen zich kon vinden in formalisering van wat allang praktijk was.
Het is de vraag of dat ook nu nog zou lukken, maar dat is weer een ander onderwerp. •
Fransien van ter Beek
bestuurder NVVE