GERT TERINK IN DE REGIESTOEL
LEEFTIJD 64
WOONPLAATS WARMOND
Werk GEPENSIONEERD AMBULANCEVERPLEEGKUNDIGE
PRIVÉ GETROUWD, 3 KINDEREN,
1 KLEINKIND OP KOMST
LID VAN DE NVVE SINDS 2004
TEKST: TEUS LEBBING | FOTO’S: MAURITS GIESEN
ADRENALINE
‘Sinds twee jaar ben ik met pensioen, daarvoor heb ik 33 jaar als verpleegkundige op de ambulance gereden. Een pracht-vak, ik heb het met veel plezier gedaan. De combinatie van zorg en adrenaline ligt me. En ja, je weet dat je ellende gaat zien op de ambulance, je beleeft dingen die een normaal mens niet beleeft, maar daar had ik me op ingesteld en kennelijk kan ik dat goed aan. Ik heb veel mensen zien sterven, dat heeft mijn kijk op het levenseinde zeker beïnvloed. De mooiste dood is wanneer je gewoon in je stoel wegzakt, maar helaas gaat dat vaak niet zo. Ik heb veel lijden gezien en me vaak afgevraagd: waarom moet dat toch zo? Dan werden we bijvoorbeeld naar reanimaties van 90-jarigen gestuurd. Hup, we gaan ervoor! Maar met welk doel? Hoe oud willen we eigenlijk worden met z’n allen?’
ZINLOOS
‘Ik zag ook geregeld bejaarde mensen die radeloos een suïcidepoging hadden gedaan. Ze hadden niemand meer, hun leven was voltooid. En dan gingen wij ze weer oplappen, dat greep me aan. Diezelfde zinloosheid voelde ik ook bij jongere mensen die een doosje paracetamol hadden leeggegeten. Die breng je dan naar het ziekenhuis, daar doen ze er alles aan om ze te redden, na 24 uur staan ze weer op straat. En dan? Het gebeurde geregeld dat ik dezelfde persoon drie maanden later weer in de ambulance had na een poging. En dan dacht ik: láát zo iemand toch!’
AANDACHT
‘Eenmaal ouder, mondiger en meer ervaren, ben ik meer op intuïtie gaan handelen. Ik ging vragen stellen: waarom doen we dit? Wat is écht nodig? Bij ouderen die geen enkel geluk meer uitstraalden, polste ik: heb je er nog zin in? De meesten zeiden dan: nee, eigenlijk niet. Daar kwamen geregeld de mooiste gesprekken uit voort, ik was blij dat we die aandacht konden geven. In twijfelgevallen besprak ik de opties met de familie en de arts. Zo herinner ik me een nachtdienst waarin we een 100-jarige dame met dementie moesten ophalen uit het verzorgingshuis om naar de spoedeisende hulp te brengen. Ze was gevallen op haar hoofd en het protocol zegt: scannen, want bij mensen boven de 40 kan er sprake zijn van een interne bloeding. Maar hoe erg is het als ze niet meer wakker wordt? De mevrouw is 100 jaar! Na uitgebreid overleg met haar, de familie en de arts hebben we haar lekker thuisgelaten.’
STELLIG
‘Ik gun ons allemaal een waardig einde, maar wat is waardig? Ik vind dat iedereen het recht heeft om voor zichzelf te bepalen wanneer het genoeg is en daar de volle eigen regie over heeft, of je nu 25, 60 of 85 bent. Voor mezelf ben ik er stellig in: ik ben aan het leven gehecht totdat het stopt of ik het niet meer leefbaar vind. Ik word al chagrijnig als ik een griepje heb, laat staan als ik hulpbehoevend word. Dat stadium wil ik vermijden. Daarom heb ik mijn wensen op papier gezet. Ik wil bijvoorbeeld niet gereanimeerd worden. Slechts 20 procent komt daar goed uit en ik wil niet bewegingloos in een stoel eindigen. Ook het verpleeghuis is geen optie voor mij. Mijn moeder heeft die rit tot het einde uitgezeten, zo zou ik het niet willen. Mijn vrouw, kinderen, arts: allemaal kennen ze mijn wensen. Om mijn pols draag ik een niet-reanimerenbandje. Dat deed ik op mijn 30ste niet, hoor; ik moest en zou er zijn voor mijn gezin. Maar nu zijn zij volwassen en zelfredzaam, dus dan is het makkelijker beslissen. Mijn vrouw is wat genuanceerder in haar keuzes. Hoe ik zou reageren als zij zo uitgesproken zou zijn? Dan moet ik vast en zeker slikken, maar ik respecteer hoe dan ook haar wens.’
NET MIJN VADER
‘Begrijp me niet verkeerd: ik heb plezier in het leven, ben zielsgelukkig en wil nog lang niet dood. Ik houd van een wijntje en een kaasje, liefst met mijn vrouw, dochters en hun gezinnen. Maar ik denk ook: als de dood zich aandient, dan is dat zo. Wat dat betreft, ben ik net mijn vader. Op zijn 69ste bleek hij uitgezaaide darmkanker te hebben. Hij kreeg een stoma en zei meteen: “dit wil ik niet”. Hij vroeg om euthanasie en zijn arts ging akkoord. Ik vond zijn besluit verdrietig, maar ook heel mooi. De laatste twee weken van zijn leven heb ik hem verzorgd, van dichtbij zag ik hoe hij zat te hannesen met de stoma. Dat maakte zijn keuze nog makkelijker te accepteren. Want inderdaad, dit was niks voor hem.’ •
LEEFTIJD 64
WOONPLAATS WARMOND
Werk GEPENSIONEERD AMBULANCEVERPLEEGKUNDIGE
PRIVÉ GETROUWD, 3 KINDEREN,
1 KLEINKIND OP KOMST
LID VAN DE NVVE SINDS 2004
GERT TERINK IN DE REGIESTOEL
TEKST: TEUS LEBBING | FOTO’S: MAURITS GIESEN
ADRENALINE
‘Sinds twee jaar ben ik met pensioen, daarvoor heb ik 33 jaar als verpleegkundige op de ambulance gereden. Een pracht-vak, ik heb het met veel plezier gedaan. De combinatie van zorg en adrenaline ligt me. En ja, je weet dat je ellende gaat zien op de ambulance, je beleeft dingen die een normaal mens niet beleeft, maar daar had ik me op ingesteld en kennelijk kan ik dat goed aan. Ik heb veel mensen zien sterven, dat heeft mijn kijk op het levenseinde zeker beïnvloed. De mooiste dood is wanneer je gewoon in je stoel wegzakt, maar helaas gaat dat vaak niet zo. Ik heb veel lijden gezien en me vaak afgevraagd: waarom moet dat toch zo? Dan werden we bijvoorbeeld naar reanimaties van 90-jarigen gestuurd. Hup, we gaan ervoor! Maar met welk doel? Hoe oud willen we eigenlijk worden met z’n allen?’
ZINLOOS
‘Ik zag ook geregeld bejaarde mensen die radeloos een suïcidepoging hadden gedaan. Ze hadden niemand meer, hun leven was voltooid. En dan gingen wij ze weer oplappen, dat greep me aan. Diezelfde zinloosheid voelde ik ook bij jongere mensen die een doosje paracetamol hadden leeggegeten. Die breng je dan naar het ziekenhuis, daar doen ze er alles aan om ze te redden, na 24 uur staan ze weer op straat. En dan? Het gebeurde geregeld dat ik dezelfde persoon drie maanden later weer in de ambulance had na een poging. En dan dacht ik: láát zo iemand toch!’
AANDACHT
‘Eenmaal ouder, mondiger en meer ervaren, ben ik meer op intuïtie gaan handelen. Ik ging vragen stellen: waarom doen we dit? Wat is écht nodig? Bij ouderen die geen enkel geluk meer uitstraalden, polste ik: heb je er nog zin in? De meesten zeiden dan: nee, eigenlijk niet. Daar kwamen geregeld de mooiste gesprekken uit voort, ik was blij dat we die aandacht konden geven. In twijfelgevallen besprak ik de opties met de familie en de arts. Zo herinner ik me een nachtdienst waarin we een 100-jarige dame met dementie moesten ophalen uit het verzorgingshuis om naar de spoedeisende hulp te brengen. Ze was gevallen op haar hoofd en het protocol zegt: scannen, want bij mensen boven de 40 kan er sprake zijn van een interne bloeding. Maar hoe erg is het als ze niet meer wakker wordt? De mevrouw is 100 jaar! Na uitgebreid overleg met haar, de familie en de arts hebben we haar lekker thuisgelaten.’
STELLIG
‘Ik gun ons allemaal een waardig einde, maar wat is waardig? Ik vind dat iedereen het recht heeft om voor zichzelf te bepalen wanneer het genoeg is en daar de volle eigen regie over heeft, of je nu 25, 60 of 85 bent. Voor mezelf ben ik er stellig in: ik ben aan het leven gehecht totdat het stopt of ik het niet meer leefbaar vind. Ik word al chagrijnig als ik een griepje heb, laat staan als ik hulpbehoevend word. Dat stadium wil ik vermijden. Daarom heb ik mijn wensen op papier gezet. Ik wil bijvoorbeeld niet gereanimeerd worden. Slechts 20 procent komt daar goed uit en ik wil niet bewegingloos in een stoel eindigen. Ook het verpleeghuis is geen optie voor mij. Mijn moeder heeft die rit tot het einde uitgezeten, zo zou ik het niet willen. Mijn vrouw, kinderen, arts: allemaal kennen ze mijn wensen. Om mijn pols draag ik een niet-reanimerenbandje. Dat deed ik op mijn 30ste niet, hoor; ik moest en zou er zijn voor mijn gezin. Maar nu zijn zij volwassen en zelfredzaam, dus dan is het makkelijker beslissen. Mijn vrouw is wat genuanceerder in haar keuzes. Hoe ik zou reageren als zij zo uitgesproken zou zijn? Dan moet ik vast en zeker slikken, maar ik respecteer hoe dan ook haar wens.’
NET MIJN VADER
‘Begrijp me niet verkeerd: ik heb plezier in het leven, ben zielsgelukkig en wil nog lang niet dood. Ik houd van een wijntje en een kaasje, liefst met mijn vrouw, dochters en hun gezinnen. Maar ik denk ook: als de dood zich aandient, dan is dat zo. Wat dat betreft, ben ik net mijn vader. Op zijn 69ste bleek hij uitgezaaide darmkanker te hebben. Hij kreeg een stoma en zei meteen: “dit wil ik niet”. Hij vroeg om euthanasie en zijn arts ging akkoord. Ik vond zijn besluit verdrietig, maar ook heel mooi. De laatste twee weken van zijn leven heb ik hem verzorgd, van dichtbij zag ik hoe hij zat te hannesen met de stoma. Dat maakte zijn keuze nog makkelijker te accepteren. Want inderdaad, dit was niks voor hem.’ •