Fransien van ter Beek bestuurder NVVE

ÉÉN RAPPORT OVER EUTHANASIE,TWEE VERHALEN

Nieuwsgierig keek ik uit naar de resultaten van het onderzoek naar de stijging van euthanasie in Nederland. Niet alleen omdat dit onderzoek volgde op een motie van de ChristenUnie in 2024, maar ook omdat het een kans bood om voorbij de aannames te komen. Meten is tenslotte beter dan gissen.

Nu het rapport er ligt, valt mij vooral één ding op: hoe snel de aandacht uitgaat naar één klein onderdeel van het verhaal. Het onderzoek beschrijft een waaier aan verklaringen, allemaal samenhangend met een veranderende samenleving: vergrijzing, meer mensen die leven met chronische aandoeningen, andere opvattingen over lijden, kwaliteit van leven en afhankelijkheid dan een generatie geleden.

Tegelijkertijd is er meer bewustwording over het feit dat er invloed is uit te oefenen op de manier van sterven. Euthanasie wordt meer geaccepteerd, mede doordat ‘het goede gesprek’ over het levenseinde vaker gevoerd wordt. Persoonlijke keuzes en regie krijgen meer gewicht, religie heeft minder invloed en er is meer openheid over het levenseinde. Kortom: Nederland kijkt anders naar sterven dan 25 jaar geleden.

Dat zijn geen spectaculaire bevindingen. Het is precies wat velen dagelijks om zich heen zien. Toch gebeurde er iets voorspelbaars toen het rapport verscheen. Een groot deel van de aandacht ging uit naar één passage uit het rapport: het vermoeden dat verschraling van de zorg misschien zou kunnen bijdragen aan de stijging van euthanasie. Verschillende media legden juist hier de nadruk op. Ook een enkele politicus pikte dit gretig op.

Laat ik vooropstellen dat ik die zorgen niet wegwuif. Wie rondkijkt in de ouderenzorg, de ggz of de terminale thuiszorg weet dat daar serieuze problemen zijn. Het is goed dat die worden benoemd en aangepakt. Maar het opvallende is dat juist dát thema ineens alle aandacht kreeg, terwijl het rapport zelf vooral iets anders laat zien. De belangrijkste conclusie is niet dat mensen vaker voor euthanasie kiezen omdat de zorg tekortschiet. De belangrijkste conclusie is dat Nederland verandert. Ook rond het levenseinde.

Kennelijk vinden sommigen het makkelijker te geloven dat de stijging te verklaren is uit tekorten, wachtlijsten of beleidsproblemen dan te accepteren dat mensen zelf andere keuzes maken over hun levenseinde dan eerdere generaties deden. Natuurlijk mag niemand zich gedwongen voelen voor euthanasie te kiezen als gevolg van tekortschietende zorg. Maar vooralsnog blijkt dat nergens uit. De onderzoekers beschrijven euthanasie niet als een ontspoorde praktijk of een systeem in crisis. Integendeel. Zij schetsen een praktijk die door veel betrokkenen wordt gezien als een belangrijke verworvenheid en waarin veel vertrouwen bestaat in de bestaande zorgvuldigheid.

Wie in dit rapport vooral een verhaal over zorgtekorten leest, mist volgens mij de kern. De kern is dat opvattingen over autonomie, lijden, afhankelijkheid en kwaliteit van leven veranderen. En dat zien we terug in de cijfers. •

  

Nieuwsgierig keek ik uit naar de resultaten van het onderzoek naar de stijging van euthanasie in Nederland. Niet alleen omdat dit onderzoek volgde op een motie van de ChristenUnie in 2024, maar ook omdat het een kans bood om voorbij de aannames te komen. Meten is tenslotte beter dan gissen.

Nu het rapport er ligt, valt mij vooral één ding op: hoe snel de aandacht uitgaat naar één klein onderdeel van het verhaal. Het onderzoek beschrijft een waaier aan verklaringen, allemaal samenhangend met een veranderende samenleving: vergrijzing, meer mensen die leven met chronische aandoeningen, andere opvattingen over lijden, kwaliteit van leven en afhankelijkheid dan een generatie geleden.

Tegelijkertijd is er meer bewustwording over het feit dat er invloed is uit te oefenen op de manier van sterven. Euthanasie wordt meer geaccepteerd, mede doordat ‘het goede gesprek’ over het levenseinde vaker gevoerd wordt. Persoonlijke keuzes en regie krijgen meer gewicht, religie heeft minder invloed en er is meer openheid over het levenseinde. Kortom: Nederland kijkt anders naar sterven dan 25 jaar geleden.

Dat zijn geen spectaculaire bevindingen. Het is precies wat velen dagelijks om zich heen zien. Toch gebeurde er iets voorspelbaars toen het rapport verscheen. Een groot deel van de aandacht ging uit naar één passage uit het rapport: het vermoeden dat verschraling van de zorg misschien zou kunnen bijdragen aan de stijging van euthanasie. Verschillende media legden juist hier de nadruk op. Ook een enkele politicus pikte dit gretig op.

Laat ik vooropstellen dat ik die zorgen niet wegwuif. Wie rondkijkt in de ouderenzorg, de ggz of de terminale thuiszorg weet dat daar serieuze problemen zijn. Het is goed dat die worden benoemd en aangepakt. Maar het opvallende is dat juist dát thema ineens alle aandacht kreeg, terwijl het rapport zelf vooral iets anders laat zien. De belangrijkste conclusie is niet dat mensen vaker voor euthanasie kiezen omdat de zorg tekortschiet. De belangrijkste conclusie is dat Nederland verandert. Ook rond het levenseinde.

Kennelijk vinden sommigen het makkelijker te geloven dat de stijging te verklaren is uit tekorten, wachtlijsten of beleidsproblemen dan te accepteren dat mensen zelf andere keuzes maken over hun levenseinde dan eerdere generaties deden. Natuurlijk mag niemand zich gedwongen voelen voor euthanasie te kiezen als gevolg van tekortschietende zorg. Maar vooralsnog blijkt dat nergens uit. De onderzoekers beschrijven euthanasie niet als een ontspoorde praktijk of een systeem in crisis. Integendeel. Zij schetsen een praktijk die door veel betrokkenen wordt gezien als een belangrijke verworvenheid en waarin veel vertrouwen bestaat in de bestaande zorgvuldigheid.

Wie in dit rapport vooral een verhaal over zorgtekorten leest, mist volgens mij de kern. De kern is dat opvattingen over autonomie, lijden, afhankelijkheid en kwaliteit van leven veranderen. En dat zien we terug in de cijfers. •  

Fransien van ter Beek
bestuurder NVVE

ÉÉN RAPPORT
OVER
EUTHANASIE,
TWEE
 VERHALEN